LATIJN IN EEN NOTENDOP
LINGVA LATINA IN NVCE
EEN KORTE INLEIDING IN DE LATIJNSE GRAMMATICA
GEERVLIET, JANUARI 2010
INHOUDSOPGAVE
· DE STRUCTUUR VAN EEN LATIJNSE ZIN
· NAAMWOORDEN
· WERKWOORDEN
· WOORDENSCHATVERWERVING
· PRAKTISCHE TIPS
1. De structuur van de Latijnse zin
In alle taaluitingen kunnen we een onderscheid maken tussen absoluut relevante en bijkomstige info. Belangrijke onderdelen zijn allereerst het gezegde bv. geeft
Dadelijk willen we weten : wie geeft? We vullen dus het onderwerp in : Pierre geeft.
Onze volgende vraag is : Wat geeft Pierre? We vragen naar het lijdend voorwerp. Het antwoord luidt : een kus :
Pierre geeft een kus.
Wat ons niet minder intrigeert is de vraag : aan wie geeft Pierre een kus? We vragen dus naar het meewerkend voorwerp. Het antwoord luidt :
Pierre geeft Dafne een kus.
In het Nederlands staat het gezegde [“geeft”] vooraan in de zin :
Onderwerp…….gezegde….meewerkend voorwerp……lijdend voorwerp
In het Latijn ligt dat meestal even anders; Romeinen zetten het gezegde veelal achterin hun zin. Het zins-einde is bij hen dus feitelijk het belangrijkste “focus-punt” : de schijnwerper staat om het zins-einde gericht :
Pierre Dafne een kus geeft/Pierre een kus aan Dafne geeft
Het is dus aan te bevelen bij het lezen van Latijnse teksten telkens het einde van een zin goed in de gaten te houden. Het daar geplaatste gezegde geeft namelijk veel informatie die voor de verdere zin van het allergrootste belang is.
Een zin als hierboven als voorbeeld gebruikt heet een kernzin : de noodzakelijke elementen staan er allemaal in : gezegde [persoonsvorm], onderwerp [het boek zegt “subject”], lijdend voorwerp [het boek zegt “object”] en meewerkend voorwerp [in het boek : “indirect object”].
Sommige werkwoorden vereisen minder aanvullingen dan “geven” ; bij bv. “gaan” is alleen een onderwerp voldoende, bij bv. “slaan” een onderwerp en een lijdend voorwerp. Het kan verstandig zijn bij het vertalen van lastige zinnen van de persoonsvorm uit te gaan en daarbij vooral te kijken naar de ‘plaatsigheid’ van het werkwoord. Is het qua betekenis één-plaatsig, dus alleen met een onderwerp, is het tweeplaatsig, dus met onderwerp en lijdend voorwerp of is het drieplaatsig, dus met onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp? Je gaat van geval tot geval naar de noodzakelijke aanvullingen zoeken : naar een onderwerp dat in de nominativus staat, naar een lijdend voorwerp dat in de accusativus staat en naar een meewerkend voorwerp dat in de dativus staat,
Heel vaak bevatten zinnen extra info in de vorm van bepalingen. Bovenstaande zin kan worden aangevuld met bv. de volgende :
a. bijvoeglijke bepalingen :
· de verstrooide Pierre
· de verlegen Dafne
· een hartstochtelijke kus
b. bijwoordelijke bepalingen :
· voor haar verjaardag
· morgen
· in de fietsenstalling
· als uiting van oprechte liefde
· voor de grap
· vanwege een weddenschap
· om te kijken hoe dat voelt
· nadat hij zijn gsm heeft uitgezet
· hoewel hij weet dat ze daar nog niet aan toe is
· omdat hij weet, dat ze dat toch wel heel erg op prijs stelt
· om aan zijn vrienden te laten zien dat hij de minnaar van Dafne is en aan hen duidelijk te maken, dat zij hun pogingen tot toenadering kunnen staken
c. dubbelverbonden bepalingen
· Pierre geeft Dafne enthousiast een kus
· Pierre geeft Dafne een kus als blijk van oprechte liefde
· Pierre geeft Dafne als zijn hartsvriendin een kus
U ziet dat bij combinatie van bepalingen zinnen [niet alleen Latijnse zinnen!] een aanzienlijk lengte kunnen krijgen. We spreken af, dat we bij complexe zinnen eerst gaan speuren naar de kernzin-elementen en dan de stukjes “periferie” bij elkaar gaan zoeken. Bij dat speuren houden we heel goed de vormaspecten van de Latijnse woorden in het oog, want die geven op hun beurt veel informatie over de functie van de woorden in de zin. Over de vormaspecten van Latijnse woorden gaan de volgende twee hoofdstukjes.
2. Naamwoorden
Allereerst moeten we een onderscheid maken tussen onveranderlijke woorden en veranderlijke woorden. Een voorbeeld van een onveranderlijk woord is een bijwoord als bv. statim [“onmiddellijk”]. Dit woord komt altijd als zodanig in een Latijnse zin voor. Dat geldt tevens voor bv. voorzetsels als : de [“over, vanaf”], in [‘in”, “op”] en per [“door”].
De Latijnse naamwoorden en voornaamwoorden komende in uiteenlopende gedaantes voor. Zij zijn veranderlijk. De vormen van die woorden hangen samen met de taak die de woorden in een concrete zin vervullen.
Bij naamwoorden kunt u denken aan zelfstandige naamwoorden [substantiva] en bijvoeglijke naamwoorden [adiectiva]. Voorbeelden van voornaamwoorden zijn bv. het betrekkelijk voornaamwoord [pronomen relativum] en het vragend voornaamwoord [ pronomen interrogativum].
In dit hoofdstukje gaan we eens kijken hoe de vorm van het Latijnse woord in relatie staat tot de functie, de taak in de zin.
Vormverandering heet verbuiging of declinatie. We onderscheiden 5 groepen van woorden die hun eigen verbuiging volgen. :
· vrouwelijke woorden op –a : groep 1 [met stam op –a]
· mannelijke woorden op –us : groep 2 [met stam op –o]
· onzijdige woorden op –um : groep 2 [met stam op –o]
· allerlei woorden met stam eindigend op medeklinker : groep 3
· mannelijke woorden op –us : groep 4 [met stam op –u]
· vrouwelijke woorden op –es : groep 5 [met stam op –e]
Binnen elke van deze 5 groepen worden 5 aparte vormen onderscheiden, de zogenaamde naamvallen, zowel voor enkelvoud als voor meervoud. De [stam +] uitgangen volgen op rij hieronder. Van onder naar boven treft u aan de nominativus, de genitivus, de dativus, de accusativus en de ablativus. Deze naamvallen geven resp aan : onderwerp, “van”, “aan”, lijdend voorwerp en “door”.
1 2 3 4 5
a us um - us es ow
ae i i is us ei van
ae o o i ui ei aan
am um um em um em lv
a o o e u e door
ae i a es/a us es ow
arum orum orum um uum erum van
is is is ibus ibus ebus aan
as os a es/a us es lv
is is is ibus ibus ebus door
Er vallen enkele dingen op :
· eenzelfde uitgang [bv. i] kan diverse naamvallen aangeven
· binnen 1 declinatie doen zich dubbelvormen voor [bv. ibus in groep 3]
· wat wij met voorzetsels aangeven, verpakken de Romeinen vaak in naamvalsuitgangen : wij gebruiken “van”, de Romeinen de uitgang – ae etc.
· de nominativus van woorden van groep 3 kan heel uiteenlopende vormen hebben, bv. lex, pater, altitudo, corpus. Pas aan het meervoud kunnen we aflezen wat de stam is :
lex, leges, stam : leg-. Pater, patres, stam : patr-. Altitudo, altitudines, stam : altitudin-, corpus, corpora, stam : corpor-
N.B. Bepaalde naamvallen worden gekoppeld aan bepaalde voorzetsels: ad mensam, de mensa, in horto, in hortum
Het is van groot belang bij elk woord te kijken naar de verbuigingsgroep.
Enkele voorbeelden :
We komen in een tekstje “mensam’ tegen. We kijken in de woordenlijst en zien : “mensa, tafel” . De vorm in de woordenlijst is altijd de nominativus, de eerste naamval. Van tafel is dat dus “mensa”. Het gaat om een vrouwelijk woordje uit groep 1. In onze tekst staat “mensam” wat tot de conclusie leidt, dat we met een accusativus te maken hebben. Het kan daarbij gaan om een lijdend voorwerp in de zin, maar ook is er een mogelijkheid van een voorzetsel met de accusativus, bv. “ad mensam”: naar de tafel. Kijken naar de rest van de zin is belangrijk.
We komen in een tekstje “servos” tegen. We kijken weer in de woordenlijst en zien : “servus, slaaf”. Het gaat om een mannelijk woordje uit groep 2. De nominativus enkelvoud is “servus”, maar in onze tekst staat “servos”. We concluderen, dat we met een accusativus meervoud van doen hebben.
We komen in een tekstje “servi” tegen. We denken gelijk aan “servus”en zien dat we met twee mogelijkheden te maken hebben : een genitivus enkelvoud [“van de slaaf”] of een nominativus meervoud [“de slaven”]. Kijken naar de rest van de zin moet de nodige duidelijkheid verschaffen op grond waarvan we een keuze maken.
We komen in een tekstje “patres” tegen. We kijken in de woordenlijst en zien “pater,patres : vader”. Naast het enkelvoud wordt hier het meervoud opgegeven. Dat gebeurt altijd bij woorden van groep 3. Uit de vorm “patr-es” kunnen we de stam isoleren. Die luidt “patr-“. Het betreft hier dus een medeklinkerstam die in dit geval eindigt op een –r. De vorm “patres” kan evengoed nominativus of accusativus zijn en we kijken dus weer naar de rest van de zin om de keuze te maken.
Bij elk zelfstandig naamwoord gaan we dus heel nauwkeurig na, tot welke declinatie het behoort. Pas wanneer we daarover absolute duidelijkheid hebben, kunnen we de naamvalsuitgang interpreteren.
Iets dergelijks geldt voor de bijvoeglijke naamwoorden. In een tekstje zien we staan ‘longis’ . We zoeken op “longus, lang”. De woordenlijst geeft telkens de mannelijke vorm van het bijvoeglijk naamwoord op. De feitelijke situatie is, dat longus wordt gebruikt voor mannelijk, longum voor onzijdig en longa voor vrouwelijk. De –us/-um – vormen gaan volgens groep 2, de –a-vorm volgens groep 1. “Longis” kan dus een dativus of ablativus meervoud zijn voor het mannelijk, vrouwelijk en onzijdig.
Stel dat we de combinaties aantreffen van “mensis longis”. In dit geval past het van “longus’ afgeleide vormpje “longis” zich aan bij het woord waar het bij hoort : “mensis”, zijnde een dativus of ablativus meervoud van “mensa”. We vertalen met : “aan / door lange tafels” .
Er bestaan ook bijvoeglijke naamwoorden van groep 3, bv. fortis, fortes : dapper. De stam is fort-. Het betreft ook hier weer een medeklinkerstam type groep 3. In een tekstje komen we tegen : “patribus fortibus” wat we kunnen vertalen met : “aan/door dappere vaders”. “Fortibus “richt zich naar “patribus”.
In bovenstaande voorbeelden behoorden de zelfstandige naamwoorden tot dezelfde groep als de bijvoeglijke. Dat hoeft niet altijd het geval te zijn, wat kan leiden tot de volgende – op het eerste gezicht toch wel erg verwarrende – combinaties :
Patribus longis : aan/door lange vaders
Servis fortibus : aan/door dappere slaven
Ook hier geldt weer : we kijken heel secuur naar de groep waar elk afzonderlijk naamwoord toe behoort. Pas daarna gaan we zekerheid krijgen over de naamval[len] en eventuele mogelijke combinaties. Dit categoriseren is een zeer nuttige vaardigheid. We leren er uiterste nauwkeurigheid mee.
Ook voornaamwoorden worden verbogen. Als voorbeeld geef ik het vragend voornaamwoord, het pronomen interrogativum :
Quis wie?
Cuius van wie? Wiens? Wier?
Cui aan wie?
Quem wie?
Quo door wie?
Qui wie?
Quorum van wie? Wier?
Quibus aan wie?
Quos wie?
Quibus door wie?
N.B. 1 De accusativus kan ook onderwerp zijn :
Ik hoor vader roepen : Patrem clamare audio
We zien hier, dat het lijdend voorwerp bij ‘’ik hoor’’ luidt :
‘’vader roepen’’
Dit is namelijk het antwoord op de vraag : ‘’Wat hoor ik?’’
Binnen het genoemde lijdend voorwerp is ‘’vader’’ onderwerp bij
‘’roepen’’.
We kunnen de combinatie patrem clamare ook vertalen met :’’[ik hoor] dat vader roept’’
Dat laatste moeten we doen bij hoofdwerkwoorden waarbij wij in het Nederlands niet zo maar een heel werkwoord kunnen plaatsen, bv. :
Patrem clamare doleo : * ik betreur vader roepen
Dit moet vertaald worden met :’’Ik betreur het , dat vader roept’’
Een ander voorbeeld :
Patrem clamare constat : * het staat vast vader roepen
Ook dit moet weer worden vertaald met : ‘’Het staat vast, dat vader roept’’
In alle bovenstaande gevallen is de accusativus onderwerp bij de infinitivus; we spreken van een accusativus-cum-infinitivo-constructie ofwel een a.c.i.
N.B. 2 : Een ablativus kan onderwerp zijn bij een andere ablativus
Deo volente vita nostra felix erit : God willende zal ons leven gelukkig zijn
Deo favente vita nostra felic erit : God begunstigende zal ons leven gelukkig zijn
Signo dato milites urbem oppugnant : Een teken gegeven belegeren de soldaten de stad
Hannibale duce Carthaginienses Romanos vincunt : Hannibal aanvoerder overwinnen de Carthagers de Romeinen
Mutatis mutandis hi casus similes sunt : de te veranderen zaken veranderd zijn deze gevallen gelijk
Bovenstaande letterlijke vertalingen kunnen vanuit het Nederlands gezien natuurlijk niet door de beugel. We moeten in de meeste gevallen onze toevlucht nemen tot een bijzin :
Indien God wil
Indien God ons begunstigt
Nadat een teken gegeven is
Terwijl Hannibal aanvoerder is = onder leiding van Hannibal
Nadat de te veranderen dingen ook veranderd zijn
Uit bovenstaande vertalingen blijkt dat de ene ablativus subject is bij de tweede :
‘’God’’ is onderwerp bij ‘’wil’’
‘’God’’ is onderwerp bij ‘’begunstigt’’
‘’Teken’’ is onderwerp bij ‘’is gegeven’’
‘’Hannibal’’ is onderwerp bij ‘’aanvoerder’’
‘’De te veranderen zaken’’ is onderwerp bij ‘’veranderd zijnde’’
Het valt wel op dat de tweede ablativus veelal een deelwoord is.
De Romeinen zijn dol op het gebruiken van deze zgn. ablativus absolutus, een ‘’losgemaakte’’ ablativus, dwz. een ablativuscombinatie die grammaticaal gezin geisoleerd staat van de rest van de zin. De waarde ervan is die van een bijwoordelijke bepaling/bijzin.
3 HET WERKWOORD
A. De onvoltooide tijden actief en passief
In het Latijn zien we dat – net als in het Nederlands – binnen een persoonsvorm een stam van een uitgang kan worden onderscheiden :
Hij roep-t clama-t
Er zijn vijf groepen van werkwoorden, de zogenaamde coniugaties :
1. clama-re : roepen, de stam eindigt op -a
2. dele-re : vernietigen [spreek uit : deeleeeeeru], de stam eindigt op –e
3. vinc-e-re : overwinnen [spreek uit : vienkuru], de stam eindigt op –medeklinker [c]
4. audi-re : horen, de stam eindigt op –i
5. fac-e-re :maken [spreek uit faakuru], de stam eindigt op –medeklinker [c]
Groep 5 is een variant van 3.
Voor de onvoltooid tegenwoordige tijd aantonende wijs [indicativus] gebruiken de Romeinen de stam + persoonsuitgang :
Dele-o : ik vernietig [de Romeinen gebruiken alleen een afzonderlijk persoonlijk voornaamwoord wanneer er duidelijk nadruk op valt : ego deleo : ik vernietig wel [maar jij dus niet]
Het hele rijtje luidt :
Ik deleo ik vernietig deleor ik word vernietigd
Jij deles deleris
Hij delet deletur
Wij delemus delemur
Jullie deletis delemini
Zij delent delentur
Dele : vernietig!
Delete! : vernietigt!
Ik vinco ik overwin vincor ik word overwonnen
Jij vincis vinceris
Hij vincit vincitur
Wij vincimus vincimur
Jullie vincitis vincimini
Zij vincunt vincuntur
Vince : overwin!
Vincite : overwint!
Voor de onvoltooid verleden tijd aantonende wijs [indicativus] schuiven ze een –[e]ba- combinatie tussen stam en uitgang :
Delebam ik vernietigde # delebar ik werd vernietigd #
Delebas delebaris
Etc
# Als aanduiding van een situatie in het verleden = “ik was bezig met vernietigen”
Voor de onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd schuiven ze bij groep 1 en 2 een –b- ertussen :
Delebo ik zal vernietigen delebor : ik zal vernietigd worden
Delebis deleberis
Etc.
Bij groep 3, 4 en 5 gebruiken ze de –e- [eerste persoon een –a-]
Vincam ik zal overwinnen vincar : ik zal overwonnen worden
Vinces vinceris
Vincet vincetur
Etc
De onvoltooid tegenwoordige tijd aanvoegende wijs [coniunctivus] wordt gemaakt met de –a- [bij de –a-stammen met de –e-] :
Deleam dat ik vernietig delear dat ik vernietigd word
Deleas delearis
Etc.
Vocem dat ik roep vocer dat ik geroepen word
Voces voceris
Etc
Als vertaling kunnen we uit vier mogelijkheden kiezen :
Vivat : laat hij leven, moge hij leven, hij zou kunnen leven, moet hij leven?
Na ut [opdat, zodat] en cum [ omdat, wanneer, hoewel] vertalen we gewoon met de aantonende wijs :
Vergelijk
Vivamus : laten we leven!
Vivimus ut vivamus : wij leven opdat we [echt] leven
De onvoltooid verleden tijd aanvoegende wijs wordt gemaakt met het gehele werkwoord :
Delere-m vernietigde ik maar delere-r : werd ik maar vernietigd
Delere-s delere-ris
Etc.
Er zijn twee mogelijkheden :
Deleremus : ach, vernietigden wij maar [maar we vernietigen niet]
Si deleremus, laudaremur : als we zouden vernietigen [maar we vernietigen niet] zouden we worden geprezen
Na ut en cum wordt weer gewoon met de aantonende wijs vertaald :
Vivebamus ut viveremus : we leefden opdat we [echt] leefden
Tot zover over de onvoltooide tijden.
B. De voltooide tijden actief en passief
De actieve vormen worden gemaakt met behulp van een aparte voltooide tijdsstam en vaste uitgangen. De lijdende vormen worden gemaakt met het werkwoord ‘esse” , zijn.
De voltooid tegenwoordige tijd aantonende wijs wordt gemaakt met aparte stam + uitgang :
Vocav-i ik riep [als aanduiding van een in het verhaal belangrijk feit], ik heb geroepen
Vocav-isti
Vocav-it
vocav-imus
vocav-istis
Vocav-erunt
Vocav-isse : geroepen te hebben
De voltooide tijdsstammen kunnen er ook geheel anders uitzien. Ze moeten bij veel werkwoorden apart geleerd worden :
Currere : cucurr-i : ik rende, ik heb gerend
Mordere : momord-i : ik heb gebeten
Facere : fec-i : ik heb gemaakt
Dicere : dix-i : ik heb gezegd
Tenere : tenu-i : ik heb vastgehouden
De voltooide verleden tijd aantonende wijs wordt gemaakt met de voltooide tijdsstam + aparte uitgang :
Vocav-eram ik had geroepen
Vocav-eras
Etc.
De voltooid tegenwoordige toekomende tijd wordt gemaakt met de voltooide tijdsstam en aparte uitgang :
Vocav-ero ik zal geroepen hebben
Vocav-eris
Etc.
De voltooid tegenwoordige tijd aanvoegende wijs wordt gemaakt met de voltooide tijdsstam met aparte uitgang :
Vocav-erim dat ik geroepen heb
Vocav-eris
etc
De voltooide verleden tijd aanvoegende wijs wordt gemaakt met het gehele
werkwoord van de voltooide tijd :
Vocavisse-m had ik maar geroepen
Vocavisse-s
etc
De passieve vormen worden net zo gemaakt als dat in het Nederlands gebeurt :
Ik ben geroepen vocatus sum
Eerst iets over het werkwoord “zijn”.
Sum ik ben
Es
Est
Sumus
Estis
Sunt
Eram ik was
Eras
Eramus
Eratis
Erant
Ero ik zal zijn
Eris
Erit
Erimus
Eritis
Erunt
Sim dat ik ben
Sis
Etc
Essem was ik maar
Esses
Etc.
Esse : te zijn
Fui ik ben geweest
Fueram : ik was geweest
Fuero : ik zal geweest zijn
Fuerim : dat ik geweest ben
Fuissem : was ik maar geweest
U ziet: “esse” is een eigenwijs portret!
Met het werkwoord “esse” maken we de passieve vormen. Daarvoor hebben we ook [net als in het Nederlands] een voltooid deelwoord nodig. Deelwoorden zijn bijvoeglijke naamwoorden die van een werkwoord zijn afgeleid.
De voltooid tegenwoordige tijd aantonende wijs luidt :
Vocatus sum ik ben geroepen [mannelijk] vocata sum : ik ben geroepen [vrouwelijk]
Vocatus es vocata es
Vocatus est vocata est
Vocati sumus vocatae sumus
Vocati estis vocatae estis
Vocati sunt vocatae sunt
Voca-tus : is dus een passief deelwoord van voca-re
Voor de voltooide verleden tijd aantonende wijs zien de vormen er als volgt uit :
Vocatus/a eram ik was geroepen
Vocatus/a eras
Etc.
Voor de voltooid tegenwoordig toekomende tijd werken we met “ero” etc :
Vocatus/a ero ik zal geroepen zijn
Vocatus/a eris
Etc
Voor de voltooid tegenwoordige tijd aanvoegende wijs maken we gebruik van ‘sim’etc :
Vocatus/a sim dat ik geroepen ben
Vocatus/a sis
Etc
Tenslotte wordt de voltooid verleden tijd van de aanvoegende wijs gemaakt met ‘essem’ etc. :
Vocatus/a essem was ik maar geroepen
Vocatus/a esses
Etc
Even samenvatten :
· actieve vormen voltooid : voltooide tijdsstam + uitgang : vocav-i
· passieve vormen voltooid : deelwoord + vorm van “esse”: vocatus sum
Enkele werkwoorden hebben alleen maar passieve vormen en actieve betekenissen [we noemen ze deponentia] :
Hortatur : hij spoort aan
Hortatus est : hij heeft aangespoord
We sluiten af met enkele naamwoorden die van een werkwoord zijn afgeleid :
a. de deelwoorden :
Het voltooid deelwoord passief zijn we al tegen gekomen : vocatus, vocata, vocatum : geroepen [zijnde]
*** er bestaat geen actief deelwoord van de voltooide tijd
Het tegenwoordig deelwoord actief luidt : vocans [roepend] , meervoud vocantes [dus groep 3]
*** er bestaat geen passief deelwoord van de onvoltooide tijd
Het deelwoord actief van de toekomstige tijd luidt : vocaturus [zullende roepen, om te roepen], vocatura, vocaturum . Dit deelwoord vaak in combinatie met ‘esse” : vocaturus sum : ik sta op het punt, ik ben van plan te roepen.
*** er bestaat geen passief deelwoorden van de toekomstige tijd
Dat is dus makkelijk te onthouden : vocans [roepend], vocatus [geroepen] en vocaturus [zullende roepen]
Voor de duidelijkheid : deelwoorden zijn bijvoeglijke naamwoorden die gewoon kunnen worden verbogen :
Vocans, vocantis, vocanti……
Vocatus, vocati, vocato….
Vocata, vocatae, vocatae…..
Vocatum, vocati, vocato…….
Vocaturus, vocaturi, vocaturo…….
De deelwoorden sluiten zich in getal, geslacht en naamval aan bij het woord waar ze bij horen.
Soms staan een zelfstandig naamwoord en een deelwoord samen in de ablativus met de waarde van een bijzin:
Deo volente : “God willende :
- indien God het wil
- omdat God het wil
- terwijl God het wil
b. het gerundivum
Met deze mysterieuze term worden woorden aangeduid als : Amanda, Miranda, Agenda, memorandum, legenda.
Ama-nd-a : betekent : beminnens-waardig, bemind moetende worden
Vinden hun ouders hun kleine dochter eerder bewonderenswaardig, dan kiezen ze voor de naam Mira-nd-a : de bewonderenswaardige, zij die bewonderd moet worden.
De ag-e-nd-a ; zijn de dingen ‘die nog gedaan moeten worden” als het ware ”doens-waardig” zijn
Het betreft een bijvoeglijk naamwoord van het type amanda [groep 1], amandus [groep 2] en amandum [groep 2]
Petrus laudandus est : Piet moet geprezen worden
Puellae laudandae sunt : de meisjes moeten geprezen worden
c. Het gerundium
Met dit woord wordt het gehele werkwoord als zelfstandig naamwoord gezien en aldus verbogen :
Dicere : het spreken
Dicendi : van het spreken
Dicendo : door het spreken
Ars dicendi : de kunst van het spreken
Docendo discimus : door te onderwijzen leren wij
Concluderend constateren we , dat het Latijnse werkwoordsysteem een wondertje van overzichtelijkheid is, toch?
3. Woordenschatverwerving
Belangrijk is bij het leren zo veel mogelijk een link te leggen met bekende woorden in het Nederlands en de andere moderne talen :
Pater father Vater padre vader
Novus nouveau new neu nieuw
Vita la vie vital vitaal
Woorden waarbij een link niet kan worden gelegd, dienen afzonderlijk te worden geleerd , genoteerd en bewerkt. Eenmalig leren is niet genoeg. De woorden moeten worden opgeschreven [bv. op losse systeemkaartjes], op band/minidiscje/dictafoon worden ingesproken, voortdurend mondeling en schriftelijk worden overhoord.
Veel bijwoorden zijn echte “zorgenkinderen”:
Deinde : vervolgens
Denuo : opnieuw
Mox : weldra
4 Enkele praktische tips
In de les wordt gewezen op de samenhang geheel-onderdelen en onderdelen-geheel. We werken met het OPUR-model :
· O-riëntatie
· P lanning
· U itvoering
· R eflectie
· O : eerst hoofdstuk in zijn geheel bekijken, eerst tekst/opdracht helemaal doorlezen met aandacht voor de verschillen in typografie. Wat valt op als relevant?
· P : dan de fasering in het werk aanbrengen
· U : de verschillende handelingfasen uitwerken; vertalen per alinea; starten met het gezegde, werken vanuit een verwachtingspatroon. Letten op samenhang tussen de tekstonderdelen.
· R : nagaan of het gestelde leerdoel is behaald, correctie van vergissingen, aanvullen van omissies, formuleren van vragen voor in de les; nagaan wat belangrijk is voor de toets. Dit onderdeel moet herkenbaar in werkschrift aanwezig zijn.
Studeren houdt in : verstandig kiezen :
· wat is de bedoeling van de uit te voeren taak?
· welke activiteit krijgt dus prioriteit?
· Welke taalonderdelen moet ik actief en welke uitsluitend passief beheersen?
· Wat beheers ik voor de volle 100 %? Wat kan ik dus even laten liggen?
· Waar zitten mijn zwakke punten? Kan ik daar alleen aan werken of heb ik daarbij hulp nodig? Welke hulp dan?
· Moet ik nog wel een net-versie maken?
Als U zin heeft, kunt U verder oefenen met de cursus Latijn van Kox Kollum http://www.koxkollum.nl
 |