ENKELE ARTIKELEN VAN ROBERT SCHUMANN DIE HIJ LIET VERSCHIJNEN IN DE
ALLGEMEINE MUSIKALISCHE ZEITUNG
EN HET NEUE ZEITSCHRIFT FÜR MUSIK
EEN OPUS 2
AMZ 7 december 1831
Eusebius kwam niet lang geleden op een avond langs. Hij kwam stilletjes binnen, zijn bleke gelaatstrekken opgeklaard door die raadselachtige glimlach waarmee hij graag nieuwsgierigheid wekt. Florestan en ik zaten aan de piano. Zoals je weet, is hij een van die zeldzame personen die een voorgevoel hebben van alles wat nieuw, buitengewoon en van de toekomst is. Dit keer, echter, lag er zelfs voor hem een verrassing klaar. Met de woorden :”Hoeden af, heren, een genie!” spreidde Eusebius voor ons een blad muziekpapier uit.
De titel mochten we niet zien. Nonchalant sloeg ik de bladzijden om; er is iets magisch in dit heimelijk genieten van ongehoorde muziek. Bovendien lijkt het me toe dat elke componist zijn eigen muzikale handschrift heeft. Beethoven ziet er op papier anders uit dan Mozart, net zoals het proza van Jean Paul verschilt van dat van Goethe. Hier echter was het alsof ik werd aangestaard door vreemd ogen – ogen van bloemen, basilisken, pauwen, meisjes. Op bepaalde plaatsen werd het duidelijker – ik dacht dat ik Mozart’s “La ci darem la mano” kon onderscheiden, tussen honderd akkoorden ingewoven, Leporello die mij wenkte en Don Giovanni die langs rende in een witte mantel
“Wel, laat maar eens horen”, zei Florestan. Eusebius gaf toe, terwijl wij luisterden, tegen elkaar aangeleund in een raamopening. Hij speelde als een bezetene, terwijl hij talloze figuren opriep van de meest levendige actualiteit. Het was alsof het enthousiasme van het ogenblik aan zijn vingers een bovennatuurlijke vaardigheid had gegeven. Florestan’s applaus bestond, afgezien van een serene glimlach, uit niets meer dan de bewering dat de variaties van Beethoven of Schubert konden zijn geweest, wanneer die een groot pianovirtuoos zouden zijn geweest. Maar toen keek hij naar de titel en las : La ci darem la mano, varié pour le Pianoforte par Frédéric Chopin, Oeuvre 2, en ongelovig riepen we alle twee uit : “Een opus 2!”.
Onmiddellijk begonnen we met zijn allen te praten, onze gezichten blozend van opwinding. De algemene teneur was :”Eindelijk iets fatsoenlijks – Chopin, nooit van gehoord! – Wie kan dat zijn? – In elk geval een genie! – was dat niet Zerlina die lachte, of Leporello?”
Een onbeschrijflijk tafereel. Dronken van de wijn, van Chopin en het praten, stoven we weg naar meester Raro. Hij lachte sceptisch en zei: “O, ik ken jullie en al je nieuwe ontdekkingen. Maar hoe dan ook, breng deze Chopin maar in omloop”. We beloofden de volgende dag te gehoorzamen. Rustig als altijd verliet Eusebius ons. Ik bleef nog even achter samen met meester Raro. Florestan, die op dit moment geen huis heeft, vluchtte door de maanverlichte straten naar mijn huis. Ik trof hem daar na middernacht in mijn kamer aan, uitgestrekt op de sofa, met zijn ogen dicht.
“Chopin’s variaties”’ zei hij, alsof hij in zijn slaap sprak, ” blijven maar spoken in mijn hoofd. Het is allemaal dramatisch, allemaal Chopin, absoluut. De inleiding – in zichzelf al helemaal compleet - [herinner je je Leporello’s sprongen in tertsen?] – komt op mij over als allerminst passend bij het geheel. Maar het thema (ik vraag me af waarom hij de toonsoort Bes koos), de variaties, de afsluitende episode en het Adagio – uit elke maat komt het genie op je af. Natuurlijk, beste Julius [=Julius Knorr, vriend van Schumann] , de personen zijn Don Giovanni, Zerlina, Leporello en Masetto. Zerlina’s antwoord in het thema is als duidelijk erotisch te herkennen. De eerste variatie zou misschien kunnen worden beschreven als aristocratisch en koket – de Spaanse edelman die speels met het boerenmeisje flirt. Dit wordt duidelijk in de tweede variatie die nog meer intiem, nog meer komisch en nog meer opdringerig is, zoals wanneer twee minnaars elkaar achterna zouden zitten en onbedaarlijk zouden lachen. Wat verandert dat allemaal in de derde variatie! Hier is maanlicht en een betoverde sprookjeswereld, met Masetto die in een hoekje grof staat te vloeken – en de onverstoorbare Don Giovanni. En dan nu de vierde, wat denk je daarvan ? (Tussen haakjes, Eusebius speelde het vlekkeloos). Is het niet brutaal en overmoedig? Het Adagio is in bes mineur nota bene, maar ik kan niets bedenken dat er beter bij zou passen. Het lijkt wel een morele waarschuwing aan de Don in te houden. Het is ondeugend, natuurlijk, maar ook vermakelijk dat Leporello aan het afluisteren is, terwijl hij achter de bosjes de draak met hem steekt. Wanneer de hobo’s en klarinetten hun verleidelijke klanken laten horen, en dat nog wel in Bes majeur, in volle bloei, is dat het teken van de eerste kus. Maar dat is allemaal niets vergeleken bij het laatste deel – is er nog wijn over, Julius? Dat is de hele Mozartfinale, compleet met losschietende champagne kurken en klinkende glazen – met de stem van Leporello erdoor heen klinkend en de wraakzuchtige schimmen in achtervolging en Don Giovanni op de vlucht ! En dan het einde – berustend en afsluitend”.
Alleen in Zwitserland, besloot hij, had hij ooit zulke ervaringen gehad als bij het horen van deze finale (op één van die heerlijke dagen wanneer de avondzon hoger en hoger reikt naar de toppen van de hoogste bergen en dan verdwijnt met een laatste lichtstraal en je voelt dat de witte reuzen van de Alpen hun ogen hebben gesloten en je voelt dat je een hemels visioen was gegund).
“Nu, Julius”, zei hij, “wat denk je ervan jezelf voor te bereiden op meer nieuwe dromen en te gaan slapen?”. “Beste Florestan”, antwoordde ik, “deze persoonlijke gevoelens zijn dan wel prijzenswaardig, maar toch ook erg subjectief; maar, zo evident als Chopin’s genie is, ook ik buig mijn hoofd voor zoveel inspiratie, zoveel moed en zulk meesterschap!.
Hierop gingen we slapen.
DE PIANOCONCERTEN VAN CHOPIN
1836
I
Verheug je, jonge kunstenaars, bij het geluid van de eerste stem die zich tegen jullie verheft! Verwelkom het als bewijs van je talent en meet het belang van het laatste af aan de hevigheid van de tegenstand.
Toch is het vreemd dat in de jaren van droogte vóór 1830, toen men de hemel zou hebben gedankt voor de magerste korrel, zelfs de critici, in plaats van Chopin te erkennen, geneigd waren zich met een schouderophalen van hem af te maken. Feitelijk vormt muziekkritiek gewoonlijk de achterhoede tenzij ze voortkomt uit creatieve geesten. Eén criticus ging inderdaad zo ver, dat hij stelde, dat Chopin’s composities het nauwelijks waard waren verscheurd te worden! Genoeg van dat alles! Of moeten we nog melding maken van een zeker vrouwentijdschrift dat met ons flirt vanachter een masker met ogen als dolken en alleen maar omdat we met een lach aan één van zijn correspondenten die iets geschreven had over Chopin’s Don Giovanni variaties, hadden laten weten dat, net als bij een slecht vers, hij een paar voeten te veel had en dat het een aardigheidje zou lijken die af te snijden? Dat kregen we tenminste te horen. We lezen het niet eens en vleien ons met de gedachte dat we in dat opzicht een vage gelijkenis vertonen met Beethoven.
Maar zouden we vandaag aan zulke dingen denken, net na Chopin’s concert in f? God verhoede! Wat betekenen de afleveringen van een muziektijdschrift van een heel jaar vergeleken bij een concert van Chopin? Wat heeft het gebulder van een pedant te betekenen naast de opmerkingen van een dichter? Wat betekenen tien kronen van de uitgever tegenover het adagio uit het tweede concert? En echt, broeders van de Davidsbond, we zouden jullie enige respectvolle begroeting onwaardig achten , wanneer jullie niet het soort van werk zouden aandurven waarover jullie schrijven, met enkele uitzonderingen, inclusief dit Tweede Concert, dat geen van ons zich kan verstouten om te benaderen tenzij met de lippen om de rand te kussen!
Weg met muziektijdschriften! De triomf en het uiteindelijke doel van een goed tijdschrift zou zijn om die hoge staat te bereiken waar mensen het om een zwaarwegender reden zouden lezen dan bij gebrek aan iets beters om te doen of om tot zo’n muzikale activiteit te hebben geleid dat de wereld noch de tijd zou hebben noch het verlangen om te lezen wat erover is geschreven! Het nobelste lot van de muziekcriticus is zichzelf overbodig te maken. De beste manier om over muziek te spreken is erover te zwijgen.
Wat een rare gedachten voor een journalist! Maar critici moeten zich niet beschouwen als de top onder de kunstenaars. Ze leven tenslotte van kunstenaars en die laatsten kunnen hen doen verhongeren als ze daarvoor zouden kiezen. Als kritiek ergens goed voor is, dan is het om een vruchtbaar klimaat te scheppen voor toekomstige werken; God’s eigen zon verschaft er al genoeg van. Nog eens, waarom over Chopin schrijven? Waarom niet uit de eerste hand scheppen, zelf spelen, zelf schrijven en zelf componeren? Voor de laatste maal, weg met de muziektijdschriften, deze en alle andere!
FLORESTAN
II
Als de zaken ervoor stonden zoals die maanzieke Florestan wil, zou je het bovenstaande een recensie kunnen noemen – en laat het maar staan als een grafschrift voor dit tijdschrift. Florestan zou zich moeten herinneren dat we ook een verplichting hebben tegenover Chopin, over wie we niets hebben gezegd. Wij kunnen persoonlijk ons stilzwijgen beschouwen als een uiterste eerbewijs, maar de rest van de wereld kan het heel anders interpreteren. Wanneer het eerbewijs van woorden nog steeds op de eerste plaats staat [en duizend harten hebben hem het prachtigste eerbewijs gegeven van allemaal!] is dat dank zij deels de aarzeling die men ervaart wanneer men wordt geconfronteerd met een fenomeen dat men liever via de zintuigen zou willen benaderen; deels een bewustzijn van je eigen onvermogen tegenover de grootsheid van het onderwerp en de onmogelijkheid het van alle kanten tegelijk in al zijn hoogte en diepte te omsluiten; deels de innerlijke affiniteit die we als kunstenaar met de componist hebben en deels, tenslotte, het feit dat Chopin in zijn meest recente composities lijkt een hoger pad in te slaan, zo niet een nieuwe weg over de richting en vermoedelijk bestemming waarvan we een duidelijker beeld hoopten te krijgen alvorens een opsomming te geven aan onze afwezige bondgenoten.
Het Genie schept rijken waarvan de kleinere staten door een hogere autoriteit worden verdeeld onder Talenten. Aan de laatste valt de taak toe om details te organiseren en perfectioneren, terwijl het Genie zich bezighoudt met grootser producties.
Zoals Hummel, om een voorbeeld te geven, de stem van Mozart volgde, en de gedachten van die meester hulde in een meer briljant en uitbundig kleed, zo volgt Chopin de stem van Beethoven. Of, om onze metafoor op te geven : zoals Hummel Mozart’s stijl aanpaste aan de bedoelingen en genoegens van de piano-virtuoos, zo introduceert Chopin de geest van Beethoven in de concertzaal.
Hij maakte zijn entree niet met een leger van orkestleden zoals grote genieën doen, maar met een klein maar –tot op de laatste held toe - eigen gevolg . Zijn leraren waren de beste : Beethoven, Schubert en Field. De eerste, zo nemen we aan, ontwikkelde zijn geest op het punt van durf, de tweede ontwikkelde zijn hart naar tederheid en de derde zijn vingervaardigheid. Zo stond hij daar, uitgerust met een grondige kennis van zijn kunst, in vertrouwen op zijn eigen kracht en gewapend met moed, toen in het jaar 1830 zich de machtige stem des volks in het westen verhief. Honderden jonge mannen wachtten dit moment af. Maar Chopin was één van de eersten om de muur te beklimmen waarachter een laf conservatisme en een dwergachtig Philistinisme in diepe slaap lag. Rechts en links vielen slagen, boos werden de Philistijnen wakker en schreeuwden “: Wat een onbeschaamdheid!”. In de achterhoede van de aanvallers riepen anderen :”Wat een heldenmoed!”.
Dit was niet alles dat het lot bepaalde om Chopin te onderscheiden van alle anderen. Er was ook een sterke en originele nationaliteit, namelijk de Poolse! Dit was een belangrijk element in het gunstige samengaan van tijd en omstandigheden. Nu dat de Polen in diepe rouw zijn, klinkt hun oproep aan ons kunstenaars des te sterker. Het komt waarschijnlijk even goed uit dat het neutrale Duitsland hem niet onmiddellijk aansprak en dat zijn genie hem recht op één van de grote hoofdsteden van de wereld deed afgaan waar hij vrij was om te componeren en uit te razen. Want als de machtige autocratische monarch in het Noorden [nl. Rusland] kon weten dat in Chopin’s werken, in de eenvoudige frasen van zijn mazurka’s, een gevaarlijke vijand loert, zou hij die muziek in de ban doen; Chopin’s werken zijn een kanon, begraven onder bloemen!
In zijn afkomst, in het lot van zijn land kan men de verklaring vinden van zijn deugden en ondeugden. Wie denkt niet aan hem wanneer gesproken wordt over passie, charme en spontaneïteit, van vuur en adeldom? Maar wie ook denkt niet aan hem wanneer gesproken wordt over excentriciteit, van ziekelijke idiosyncrasie, ja, zelfs ver razernij en haat?
Deze blijken van extreem nationalisme kenmerken al Chopin’s vroegere werken. Maar kunst vraagt meer. De bekrompen zorgen van het thuisland moesten plaats maken voor de belangen van de wereld daarbuiten. In zijn latere werken is de fysiognomie niet langer specifiek Slavisch en neigt die beetje bij beetje tot dat universele ideaal dat voor ons het meest herkenbaar door de hemelse Grieken is verbeeld. Zo kunnen we, terwijl we een nieuw pad volgen, uiteindelijk een vereniging met Mozart vieren. We zeiden ‘beetje bij beetje’ want hij moet zijn afkomst nooit helemaal ontkennen. Maar hoe meer hij zich daarvan distantieert, des te belangrijker zal hij zijn voor de kunst als geheel.
Wanneer we in woorden de belangrijke plaats moeten toelichten die hij deels al heeft bereikt, dan zouden we zeggen dat hij bijdraagt aan een inzicht dat steeds dringender moet worden bevestigd: vooruitgang in onze kunst is alleen maar mogelijk samen met de vooruitgang van de kunstenaar zelf naar een spirituele aristocratie. Volgens de regels daarvan wordt een beheersing van het pure handwerk niet alleen gevraagd maar als een vereiste beschouwd, met een toelating die ontzegd wordt aan al diegenen die zelf onvoldoende getalenteerd zijn om te doen wat ze van anderen eisen; in andere woorden, ze moeten verbeelding, temparament en intelligentie bezitten.
Dit wordt allemaal vereist om een hogere fase van algemene muzikale ontwikkeling tot stand te brengen, een tijdperk waarin er even weinig onzekerheid kan bestaan over het waarachtig authentieke als over de verschillende vormen waarin het waarachtig authentieke zich kan manifesteren. De term ‘muzikaal’ kan worden geïnterpreteerd als die innerlijke, levende wil en kracht om deel te nemen, die actieve sympathie, die vaardigheid om snel te geven en te ontvangen! Dit alles opdat het inbedden van schepping en herschepping in een gemeenschap van kunstenaars ons dichter moge leiden naar de hogere doelen van de kunst!
EUSEBIUS
HET MUSEUM [1837]
Onder deze titel ontvingen we onlangs een tekst van de Davidsbond waarin werd gevraagd of de leden daarvan niet een verzameling interessante koppen konden bijdragen aan dit tijdschrift. Ze vreesden dat belangrijke figuren over het hoofd konden worden gezien in het type van collectieve recensie dat tegenwoordig in de mode komt. Ze hadden [ dat verzekerden ze met nadruk ] niets in gedachten dat aan aristocratie zou doen denken. We zeiden hun van start te gaan!
De uitgever
Hoofdstuk:
III Clara Wieck, Soirées voor piano, opus 6
Er moet ook een vrouwenhoofd zijn om ons museum te tooien. En hoe zou ik deze dag, de vooravond van de verjaardag van een geliefde, beter kunnen vieren dan door mijzelf te wijden aan één van haar creaties?
Het is heel goed mogelijk, dat haar werken afkomstig zijn van zo’n exotische verbeelding, dat pure oefening niet voldoende is om deze uitzonderlijk verweven arabesken te volgen, of van zo’n diepgravende geest dat, zodra het grafische, het verbeeldende in haar composities naar de achtergrond wijkt, men niet onmiddellijk het dromerige en introspectieve kan vatten.
Zo zal de meerderheid ze na een oppervlakkige blik opzij leggen; inderdaad is het gemakkelijk te geloven dat wedstrijdjury’s deze Soirées onder honderd inzendingen eerder de laatste prijs dan de eerste zullen toekennen, zo diep onder de oppervlakte liggen de parels en lauweren verborgen.
Niettemin zou ik meer dan gewoonlijk argwanend zijn bij de veroordeling door de academici. De Soirées namelijk geven aan de ene kant en duidelijk voor iedereen om te zien, een weergave van een leven dat uitbundig en teder is, kennelijk gevoelig voor de minste aandrang, aan de andere kant een rijkdom aan onconventionele elementen, een vaardigheid om de geheime in de diepte dooreen lopende draden ineen te winden en daarna te ontrafelen, iets dat men meestal verwacht van ervaren kunstenaars – mannen!
Over haar jeugd zijn we het wel eens. Om de rest te evalueren moet men haar positie interpreteren als één van de grootste virtuozen van onze tijd met inzicht in alles. Laat Bach doordringen tot een diepte waar zelfs een mijnlamp dreigt te doven, laat Beethoven met zijn titanenvuisten uithalen naar de wolken, wat onze tijd heeft voortgebracht in termen van hoog en diep, ze beheerst het allemaal, en vertelt erover met de bekoorlijke wijsheid van een jong meisje.
Tegelijkertijd heeft ze haar eigen standaards verhoogd tot een niveau dat iemand zich nerveus laat afvragen waar het allemaal toe kan leiden. Ik waag me niet aan voorspellingen. Bij zulke talenten wordt men geconfronteerd met gordijn na gordijn; de tijd tilt ze één voor één op en wat wordt onthuld verschilt altijd van wat werd verwacht. Dat men zo’n wonderlijk fenomeen niet met onverschilligheid kan beschouwen, dat men haar geestelijke ontwikkeling stap voor stap moet volgen, mag worden verwacht bij al diegenen die juist nu de natuurlijke intieme relatie van verwante geesten van verleden en heden erkennen, eerder dan puur toeval.
Wat hebben we dan in deze Soirées? Wat vertellen ze ons? Op wie hebben ze betrekking? Zijn ze vergelijkbaar met het werk van een meester? Om te beginnen vertellen ze ons veel over muziek, hoe deze de uitingen van de poëzie te boven gaat, hoe men gelukkig kan zijn in verdriet en verdrietig in geluk. Ze behoren diegenen toe die kunnen genieten van muziek zonder piano, van wie de harten opzwellen tot het punt van uitbarsten bij het geluid van een innerlijk verlangen en een innerlijk lied. En ze behoren hun toe die al ervaring hebben met de broederlijke taal van een merkwaardig soort van kunst.
Zijn ze uiteindelijk een resultaat? Ja, op de manier waarop een bloemknop een resultaat is voor hij uitbreekt in de stralende kleuren van de bloesems, fascinerend en belangrijk als alles is dat een toekomst in zich bergt.
En dan, natuurlijk, ze te horen wanneer zij ze speelt! Je beseft nauwelijks wat je overkomt of je denkt je in, hoe zoiets in symbolen kan worden weergegeven en worden uitgeschreven. Dit, nog eens, is een verbazingwekkende kunst, en zij beheerst die. Hele boeken zouden kunnen worden gehoord over dit onderwerp. Ik zeg met opzet ‘gehoord’. Uit wantrouwen jegens onze Davidsbündler-bronnen vroegen we onlangs een ervaren kenner om iets over het karakter van haar spel te schrijven. Hij beloofde dat te doen en concludeerde na zo’n twee bladzijden : ” Het ware te wensen dat men op een dag iets concreets te weten zou kunnen komen over de virtuositeit van deze artieste etc.”. We weten waar hij zich gewonnen moest geven en waarom ook wij juist hier stoppen. Niet alles kan in de letters van het alfabet worden verteld.
FLORESTAN EN EUSEBIUS
12 September 1837
SCHUBERT’S SYMFONIE IN C
1840
Een musicus die voor de eerste maal in Wenen komt, beleeft veel plezier aan de feestelijke klanken in de straten en staat vol bewondering voor de toren spits van de Sankt Stephanskathedraal. Maar hij zal zich er snel bewust van worden, hoe dicht bij de stad een kerkhof ligt dat hem dierbaarder is dan alle highlights van de stad, de plaats waar bijna zij aan zij twee van de grootste mannen liggen die zijn kunst ooit heeft voortgebracht.
Veel jonge musici zijn net als ik naar dit kerkhof in Währing gegaan om op die graven een krans te leggen of alleen maar een wilde roos zoals die welke ik geplant zag op de plek waar Beethoven uiteindelijk zijn laatste rustplaats vond. Het graf van Franz Schubert was zonder versiering. Zo gebeurde het dat één van mijn liefste wensen in vervulling ging. Lange tijd bleef ik voor beide gewijde graven staan, in gedachten verzonken. Ik was bijna jaloers op Graaf O’Donel – als ik me de naam goed herinner – die tussen hen begraven is [noot 1].
Het is één van de heerlijkste ervaringen in het leven om een groot man voor het eerst van gezicht tot gezicht te zien en zijn hand te grijpen. Het was niet mijn lot om beide door mij het meest bewonderde kunstenaars bij hun leven te ontmoeten en daarom zou het mij veel waard zijn bij deze pelgrimage iemand naast me te hebben, die dicht bij tenminste één van hen had gestaan, bij voorkeur één van zijn broers. Toen ik terugwandelde naar de stad schoot het me te binnen dat Schubert’s broer Ferdinand nog leefde, van wie Schubert zo’n hoge dunk had. Later zocht ik hem op en mij viel een sterkte gelijkenis op, te oordelen naar de buste die bij Schubert’s graf staat. Hij was nogal wat kleiner, maar stevig gebouwd. Zijn trekken drukten eerlijkheid en muzikaal gevoel tegelijk uit. Hij kende me als een uitgesproken bewonderaar van zijn broer, vertelde me veel verhalen en liet me tenslotte één van zijn schatten zien, namelijk composities van Franz Schubert die nog in zijn bezit waren. De verzamelde rijkdom deed me sidderen van vreugde. Waar te beginnen? Waar op te houden? Onder andere liet hij mij de partituren van een aantal symfonieën zien waarvan er sommige nog nooit waren uitgevoerd en andere waren onderzocht, maar weer weggelegd als te moeilijk en extravagant.
Je moet Wenen kennen, de problemen van het muziekleven daar, de moeilijkheid om de middelen bijeen te brengen die vereist zijn voor de uivoering van grotere werken, om te begrijpen, hoe het mogelijk kon zijn, dat in de stad waar Schubert woonde en werkte, weinig of niets van zijn muziek is uitgevoerd, afgezien dan van zijn liederen. Wie weet hoe lang de symfonie die we nu bespreken, onder het stof zou hebben gelegen, ware het niet, dat ik het met Ferdinand zo kon regelen om het stuk naar Leipzig te sturen naar het management van de Gewandhaus-concerten, of naar Mendelssohn zelf, wiens scherpe blik de meest bescheiden ontluikende schoonheid al ontwaart, laat staan een bloem in volle bloei?
En zo gebeurde het ook. De symfonie kwam in Leipzig aan, werd uitgevoerd, omarmd, nog eens beluisterd en tenslotte algemeen bewonderd. De firma Breitkopf & Härtel kocht het werk en de rechten, en zo hebben we het nu compleet voor ons met alle partijen, met een volledige partituur die naar we hopen binnenkort zal verschijnen tot nut en verlichting van heel de wereld.
Laat ik om te beginnen maar stellen, dat hij die deze symfonie niet kent, Schubert maar weinig kent. In het zicht van wat de wereld al van hem heeft ontvangen kan dit een weinig geloofwaardige lof schijnen. Het is zo vaak gezegd, en tot aanzienlijke ergernis van componisten, dat ‘men na Beethoven symfonische ambities maar moest laten varen’, en het is waar, dat de meesten van hen die dit advies genegeerd hebben slechts levenloze imitaties van Beethoven’s idioom hebben afgeleverd om maar te zwijgen van die duffe componisten die erin geslaagd zijn een redelijke suggestie te geven van de gepoederde pruiken van Haydn en Mozart, maar niet van hun hoofden. Men kan een uitzondering maken voor afzonderlijke belangrijke orkestwerken, maar die zijn interessanter voor het licht dat ze geworpen hebben op de ontwikkeling van hun componisten dan voor enige invloed die ze gehad zouden hebben op het publiek of de ontwikkeling van de symfonie. Berlioz hoort bij Frankrijk en wordt van tijd tot tijd genoemd als een interessante buitenstaander en dwaas.
Ik, en met mij vele anderen, had vermoed en gehoopt, dat Schubert die zo’n duidelijk gevoel voor structuur had laten zien, zo’n vindingrijkheid en zo’n bedrevenheid in zo vele andere vormen, ook de symfonie in de flank zou aanvallen en de plek zou kunnen ontdekken van waaruit hij zowel bij de symfonie als bij het publiek kon komen. Dit alles heeft zich dan ook op een zeer wonderlijke wijze voltrokken.
Overigens was het niet zijn bedoeling de Negende van Beethoven voort te zetten. IJverig kunstenaar als hij was, schreef hij symfonie na symfonie van hemzelf. Dat de wereld nu plotseling wordt geconfronteerd met zijn zevende, zonder zijn voorgangers te hebben leren kennen of in staat te zijn de voortgang te volgen die ertoe leidde, is misschien het enige spijtige aspect van zijn publicatie en één die zou kunnen bijdragen aan het onbegrip ervan. Aan de andere kant kan die publicatie leiden tot de uitgave van de andere. De kleinste ervan zal nog Schubert’s stempel dragen. Die Weners die enkele jaren geleden een prijs uitloofden voor een ‘beste’ symfonie hoefden niet zover uit te halen om de lauweren te vinden waar ze op uit waren. Prachtige symfonieën lagen in zevenvoud opgestapeld in het kleine studeerkamertje van Ferdinand in een Weense voorstad. Hier lagen de lauweren voor het grijpen. Zo gaat het nu eenmaal. Als men met een Wener spreekt over [Mendelssohn[ [noot 2] zal hij het Wenen van Franz Schubert hemelhoog prijzen. Maar onder elkaar hebben ze van beiden geen al te hoge dunk!
Laat dat allemaal zo zijn, we kunnen onszelf verkwikken in de volheid van geest die uit dit heerlijke werk stroomt. Toegegeven, dit Wenen met zijn Sankt Stephanstoren, zijn mooie vrouwen, door de Donau met talloze linten omgeven, zich uitstrekkend tot de vruchtbare vlakte en verder nog naar steeds hogere bergen, met al zijn herinneringen aan de grootste Duitse meesters – dit Wenen kan alleen maar een rijke voedingsbodem zijn voor de fantasie van een musicus. Vanaf de heuveltoppen keek ik vaak naar beneden en dacht daarbij hoe Beethoven’s rusteloze oog gedwaald moest hebben over die bergketens in de verte, hoe Mozart dromerig de loop van de Donau is gevolgd, terwijl hij telkens terechtkwam in riet en bos, en hoe Papa Haydn keek naar de Sankt Stephan, in ongeloof zijn hoofd schuddend over de duizelingwekkende hoogte van de toren. Neem de Donau, de Sankt Stephan en de bergen in de verte samen en je hebt iets van Wenen. Stel je de zoete katholieke geur van wierook voor, voeg daarbij het omringende landschap en je hebt iets dat snaren binnen in ons doet trillen die nooit geklonken zouden hebben in andere omstandigheden. Met deze symfonie van Schubert met zijn leven vol licht, bloei en romantiek, staat de stad mij weer voor ogen, duidelijker nog dan ooit tevoren en ik begrijp eens te meer hoe juist in deze omgeving zulke werken kunnen ontstaan.
Ik zal niet proberen de symfonie een programma te geven. Personen van alle leeftijden kiezen te willekeurig wanneer ze zich teksten en beelden voorstellen. De achttienjarige hoort in muziek vaak iets wereldschokkends dat voor een volwassene niets meer dan een plaatselijk incident betekent. Waarschijnlijk heeft de componist niets anders voor ogen gehad dan de beste muziek die in hem was, neer te schrijven. Maar men gelooft graag, dat de wereld van buiten, helder vandaag, duister morgen, vaak binnendringt in de geestelijke schuilhoeken van dichter en componist. Zo’n symfonie als deze te horen is toegeven, dat hij in zich meer dan alleen maar zoete melodie, alleen maar vreugde en smart bergt, uitgedrukt in conventionele muzikale termen. Men moet toegeven dat hij ons naar een nieuw gebied leidt. Naast puur muzikaal meesterschap over techniek en compositie, is hier het leven in al zijn vezels, kleur in zijn fijnste nuances, overal betekenis, de scherpste tekening van het détail, en alles overstroomd door een romantiek die we ook al elders bij Schubert zijn tegengekomen. En deze hemelse lengte als van een dikke roman in vier delen van Jean Paul – zonder einde. De lezer kan gewoon op het zelfde niveau verder fantaseren. Hoe verfrissend is het gevoel van onuitputtelijke rijkdom waar je bij anderen altijd het einde vreest, bevangen door een voorgevoel van uiteindelijke teleurstelling.
Men zou onmogelijk kunnen verklaren hoe Schubert zo plotseling het orkest naar zijn hand kon zetten als men niet wist, dat deze symfonie door zes andere [noot 3] was voorafgegaan en dat hij geschreven was op het toppunt van zijn kunnen. Zijn buitengewone talent blijkt hieruit, dat hij, die gedurende heel zijn leven zo weinig van zijn instrumentale muziek heeft horen uitvoeren, zo’n idiomatische behandeling heeft kunnen bereiken zowel van individuele instrumenten afzonderlijk als ook van het gehele orkest en daarmee een effect wist te sorteren van menselijke stemmen en koren in wisselzang. Deze gelijkenis met de menselijke stem heb ik nooit zo bedrieglijk en onmiskenbaar waargenomen, behalve in veel van Beethoven. Het is het omgekeerde van Meyerbeer’s behandeling van de zingende stem. De volkomen onafhankelijkheid van Beethoven’s symfonieën is een ander blijk van zijn mannelijke oorsprong. Men ziet hoe juist en wijs Schubert’s genie zich manifesteert. Zich bewust van zijn bescheiden middelen vermijdt hij de groteske vormen en forse proporties van Beethoven’s latere werken. Hij geeft ons iets dat op een bekoorlijke en toch originele wijze is gevormd, waarbij hij nooit te ver afdwaalt van het centrale idee en er altijd naar terugkeert. Zo komt het tenminste over bij iemand die het stuk vaak gehoord en bestudeerd heeft. De schitterende en nieuwe instrumentatie, de breedte en expansie van de vorm, de treffende veranderingen van stemming, de geheel nieuwe wereld waar we heen worden gebracht - dit alles kan verwarrend zijn voor de luisteraar die voor het eerst iets dat hem niet vertrouwd is, te horen krijgt. Maar er blijft een heerlijke nasmaak, als die welke we ervaren bij het besluit van een stuk over sprookjes of toverij. Er is altijd het gevoel dat de componist exact wist wat hij wilde zeggen en hoe hij het wilde zeggen, en de zekerheid dat de kern van het stuk mettertijd duidelijker zal worden.
Dit gevoel van zekerheid laat zich al gelijk aan het begin horen in de prachtige, romantische inleiding, hoewel alles nog in mysterieuze nevelen is gehuld. Een schitterende vondst is de overgang naar het Allegro; we zijn ons niet bewust van enige verandering van tempo, maar plotseling, zonder te weten hoe, zijn we in dat tempo terechtgekomen. Om nu de afzonderlijke delen tot in détail te gaan analyseren,dat zou noch onszelf, noch de lezer plezier doen. Je zou de gehele symfonie moeten uitschrijven om een idee te krijgen van zijn vernieuwende karakter. Ik kan echter niet voorbijgaan aan het tweede deel, dat in zulke ontroerende tonen tot ons spreekt, vooral in die passage waar een hoorn vanuit de verte klinkt. Hij lijkt uit een andere wereld te komen. Hier luistert alles, alsof een hemelse geest door het orkest dwaalt.
De symfonie had hier een uitwerking als die van geen ander, sinds Beethoven. Kunstenaars en kunstliefhebbers waren eensgezind in hun loftuitingen. Van de meester die het zo nauwgezet had voorbereid, hoorde ik woorden die ik graag aan Schubert zou hebben doorgegeven als vreugdevol bericht. Het kan jaren duren voordat de symfonie in Duitsland geliefd wordt. Dat hij wordt vergeten of over het hoofd wordt gezien, daarvoor hoeven we niet bang te zijn. Hij draagt het zaad van de eeuwige jeugd in zich.
Zo bracht me het bezoek aan het graf, dat mij op zijn beurt in contact bracht met een familielid van de overledene, een tweede beloning. De eerste kreeg ik op de dag van het bezoek toen ik op Beethoven’s graf een stalen pen vond die ik sindsdien heb gekoesterd en die ik bij speciale gelegenheden gebruik, zoals deze!
1) Op zijn sterfbed had Schubert de wens uitgesproken naast Beethoven te worden begraven. De meest dichtbije plek was vier graven verder. Tussen hen in lagen de resten van Graaf von Wssehrd en Graaf von Hardtmuth en die van Graaf en Gravin O’Donnell. In verband met wetenschappelijke metingen werden de lichamen van Beethoven en Schubert in 1863 opgegraven en herbegraven. In 1888 werden ze naar het Zentralfriedhof overgebracht, waar ze nu naast elkaar liggen. Het regionale kerkhof in Währing bestaat niet meer. Het lag op de plaats waar zich nu het Schubert Park bevindt.
2) In de tekst staat een streep; bedoeld wordt Mendelssohn
3) Eigenlijk waren er al zeven aan de bedoelde symfonie voorafgegaan. Schumann had geen weet van de achtste symfonie, de Onvoltooide, die nog in het bezit was van Schubert’s vriend Anselm Hüttenbrenner in Graz.
NIEUWE WEGEN
NZFM 1853
Er zijn heel wat jaren voorbijgegaan sinds ik me heb laten horen in het Neue Zeitschrift für Musik, een arena die voor mij zo vol herinneringen ligt – feitelijk bijna evenveel jaar als ik ooit eraan wijdde om het uit te geven – namelijk tien. Vaak stond ik bloot aan de verleiding om me uit te spreken ondanks intensieve componeeractiviteiten.
Een aantal van belangrijke nieuwe talenten is ondertussen langsgekomen, een nieuw tijdperk lag in het verschiet, aangekondigd door vele opkomende jonge kunstenaars, hoewel die slechts in betrekkelijk kleine kring bekend zijn. Ik volgde hun ontwikkeling met de grootste belangstelling en wist zeker, dat uit zulke ontwikkelingen plotseling een individu zou opdoemen dat bestemd was om uitdrukking te geven aan zijn tijd, en wel op de meest voortreffelijke manier, een individu, dat meesterschap zou bereiken, niet stap voor stap, maar onmiddellijk, zoals Minerva die in volle wapenrusting uit het hoofd van Jupiter tevoorschijn kwam.
En nu is hij hier, een jonge vent bij wiens wieg gratiën en heroën stonden te waken. Zijn naam is Johannes Brahms.
Hij komt uit Hamburg waar hij in alle rust in het verborgene heeft kunnen werken, door een excellente en geïnspireerde leraar [nl. Eduard Marxsen (1806-1887)] ingewijd in de moeilijkste kunstregels. Hij werd me aanbevolen door een voortreffelijk en beroemd meester [nl. Joseph Joachim] . Zelfs in zijn uiterlijke verschijning spreidt hij die karakteristieken ten toon die duidelijk maken : hier is een man die voorbestemd is! Aan de piano begon hij de wonderlijkste landschappen te onthullen. Ook zijn spel was allerwonderlijkst. Hij maakte van de piano een orkest van rouwende en juichende stemmen. Er waren sonates, meer als symfonieën-in-vermomming; liederen, waarvan de poëzie zelfs voor iemand die de woorden niet kende, begrijpelijk was, hoewel een krachtige vocale lijn door hen allemaal loopt; een paar pianostukken, deels van een demonisch karakter, bekoorlijk van vorm; dan sonates voor viool en piano, strijkkwarttetten etc. – alles zo verschillend van elkaar dat elk scheen op te borrelen uit een afzonderlijke bron. En uiteindelijk leek het alsof hijzelf, een vleesgeworden opwellende stroom, al die stukken bijeenveegde in een enkele waterval, die een vredige regenboog boven de roerige golven doet oprijzen, aan de kust geflankeerd door speelse vlinders en de stemmen van nachtigalen.
Wanneer hij zijn toverstok over de verzamelde middelen van koor en orkest laat gaan, staan ons prachtige inkijkjes te wachten in het geheim van de spirituele wereld. Moge het hoogste genie hem kracht verlenen; dat zal zeker gebeuren, want in hem huist nog een tweede genie, namelijk van bescheidenheid. Zijn tijdgenoten groeten hem wanneer hij op weg gaat naar een wereld die hem pijn kan brengen, maar zeker ook lauweren en palmen. We verwelkomen hem als een onverzettelijk medestrijder.
Elke tijd heeft een geheim genootschap van verwante geesten. Trek de cirkel nauwer , jullie die aan elkaar toebehoren, opdat de waarheid van de kunst nog helderder zal stralen en overal vreugde en zegen zal verspreiden!
CONCERT ZONDER ORKEST 1843
[Dit artikel betreft Schumann’s pianosonate in f kleine terts, opus 14]
Nu we het toch hebben over de meest recente concerten, lijkt het me passend om melding te maken van een zogenaamd Concert zonder orkest, zojuist door Haslinger uitgegeven. De rekels Florestan en Eusebius hebben het op naam gezet van ondergetekende. Ik zal ze ervoor straffen dat ze zonder daartoe gemachtigd te zijn van mijn naam gebruik hebben gemaakt. Ik zal geen woord wijden aan hun opus 14.Tegelijkertijd vind ik zekere passages uit de brief van een geliefd meester (aan wie, tussen haakjes, het werk is opgedragen) te belangrijk om zomaar ongenoemd te laten. Hij zegt onder andere :
“Men verbaast zich erover wat de aanleiding van de titel is. Die geeft eerder de karakteristieken van een grote sonate dan de vereisten van een concert, een grote sonate van het soort dat we in verband brengen met Beethoven en Weber. In concerten verwachten we helaas nu eenmaal enkele concessies aan briljante virtuositeit of verleidelijke elegantie van uitvoering. In dit werk konden dergelijke concessies niet worden gedaan zonder de aanvankelijk intentie schade te doen. De overheersende ernst en passie zijn onverenigbaar met de verwachtingen van ons eigentijdse concertpubliek, dat er geen behoefte aan heeft diep ontroerd te worden en noch de mogelijkheid tot noch het gevoel van toewijding heeft dat vereist is om dergelijke harmonieën en ingenieuze obscuriteiten te begrijpen. Een juiste waardering van zulke zaken is beperkt tot oren en temperamenten die zijn afgestemd op de hooggestemde gemoedsbewegingen van heldhaftige kunstenaars. “
“Veel van de harmonisatie maakt gebruik van dissonanten waarvan de daaropvolgende oplossingen alleen voor het geoefende oor een verademing vormen. Voorhoudingen en suspensies waarvan de ontwikkeling vaak pas na de tweede of derde maat duidelijk wordt, zijn vaak wrang, hoe gerechtvaardigd ook. Om daardoor niet van streek te raken moet je een geoefend musicus zijn die vooraf aanvoelt hoe elke contradictie zichzelf oplost. Ik denk aan een staatsman, die te midden van het tumultueus feestgedruis van een hofbal, zijn blik lijkt te richten op van alles en zich toch alleen maar concentreert op die paar mensen in wie hij een diplomatiek belang stelt.
Ziedaar. En nu, Florestan en Eusebius, maak jezelf een zo welwillend oordeel waardig en zie er van nu af aan op toe dat jullie even streng voor jezelf zijn als jullie vaak voor anderen zijn”.
EEN MIDZOMERNACHTDROOM
EEN BRIEF [1843]
Jij, mijn vriend, zult natuurlijk de eerste zijn om van mij iets te horen over A Midsummer Night’s Dream. We zagen het gisteren voor de eerste keer in bijna 300 jaar. Dat de theaterdirecteur koos voor een winteravond pleit voor zijn goede smaak. Op een echte zomeravond zou men om duidelijke redenen de voorkeur geven aan The Winter’s Tale.
Ik kan je verzekeren, er waren veel mensen die naar Shakespeare kwamen eenvoudigweg om Mendelssohn te horen. Voor mij was het eerder omgekeerd. Ik weet heel goed, dat Mendelssohn niet te vergelijken is met die minderwaardige acteurs die zich airs aanmeten wanneer het toeval hen brengt in het gezelschap van de groten. Zijn muziek – met uitzondering van de Ouverture – is puur als begeleiding bedoeld, een tolk en tegelijkertijd een brug tussen Bottom en Oberon, zonder welke een overgang naar het feeënrijk nauwelijks mogelijk zou zijn. In de tijd van Shakespeare moet muziek eenzelfde functie hebben gehad. Wie er meer van verwachtte, zal teleurgesteld zijn. Deze muziek is nog meer terughoudend dan die bij Antigone waar de koren de componist dwongen tot grotere muzikale rijkdom. Ze staat neutraal tegenover de voortgang van het verhaal, dat wil zeggen tegenover de lotgevallen van de vier jonge minnaars. Op een gegeven moment schildert ze in sprekende lijnen Hermia’s zoektocht naar haar geliefde. Dit is een prachtig stuk. Voor de rest begeleidt de muziek de feeën. Hier is Mendelssohn in zijn element en onvergelijkelijk, zoals ik je nauwelijks hoef te verduidelijken.
Over de Ouverture is de wereld lange tijd van dezelfde opinie geweest. Nauwelijks enig ander werk van deze componist is zo bedekt met de bloesems van de jeugd, de volkomen meester die precies op het juiste moment zijn eerste hoge vlucht neemt.
Ik was ontroerd door de manier waarop stukjes van de ouverture in de andere stukken terugkeren die van zoveel latere datum zijn.
Alleen de finale die de afsluiting van de ouverture bijna noot voor noot herhaalt, stelde me teleur. De bedoeling van de componist om alles af te ronden is duidelijk. Maar ik vond het teveel bedacht. Vooral deze scene zou getooid moeten zijn met zijn meest verse inspiratie. Hier, waar de muziek het grootste effect kon hebben gehad, had ik iets origineels en recents verwacht. Stel je de scene voor : door alle gaten en spleten kruipen elfjes het huis binnen om hun rondedans te doen, met Puck aan het hoofd, die uitroept : “Ik ben er al met een bezem op uit gestuurd om het stof achter de deur te vegen” en Oberon : “Wijd met deze velddauw etc.”. Het is onmogelijk iets te verzinnen dat beter bij muziek past. Had Mendelssohn er maar iets nieuws voor geschreven!
Zo leek het me toe, dat het slot op het punt van uiteindelijk effect tekort schoot. Natuurlijk herinnerde men zich de vele bekoorlijke stukken die eraan vooraf gegaan waren. Er zijn er waarschijnlijk nog steeds mensen die Bottom’s ezelskop amusant vinden en de betovering van het nachtelijke groene bos en de verwarring daarin onvergetelijk.; het stuk als geheel leek meer een curiositeit. Voor de rest, wees daar zeker van, is de muziek mooi en fantasierijk genoeg, al direct vanaf het eerste optreden van Puck en de feeën. De instrumenten plagen en maken grapjes als of de feeën zelf erop speelden. Je hoort gloednieuwe klanken. Heel liefelijk is ook het volgende lied van de elfjes met de afsluitende woorden : “Goedenacht en wieg je maar in slaap” zoals inderdaad alles wat te doen heeft met de feeën. Er staat zelfs een mars in, de eerste die Mendelssohn volgens mij heeft geschreven. Hij komt vóór het einde van de laatste acte en doet ergens denken aan de mars in de Weihe der Töne van Spohr. Het zou nog origineler kunnen zijn, maar heeft een uiterst bekoorlijk trio.
Brieven en dagboekfragmenten met betrekking tot Clara en Robert
Motto : Clara ist so ausgezeichnet dass sie gar nicht mehr gezeichnet werden kann [Schramm]
1833, Schumann schrijft aan zijn moeder :
Het is een vreugde te zien hoe haar gaven van geest en hart steeds sneller ontluiken. Toen wij laatst in Connewitz naar huis terugkeerden, hoorde ik haar, in zichzelf pratend zeggen : ‘O, wat ben ik gelukkig, o, wat ben ik gelukkig!’. Wie zou het niet prettig vinden zulke woorden te horen? Aan de rand van de weg liggen wel eens totaal overbodige stenen. En omdat ik tijdens het praten dikwijls naar de lucht kijk in plaats van op mijn stappen te letten, loopt zij altijd achter mij en dan, bij elke steen trekt ze me zachtjes aan mijn jas opdat ik niet zal vallen, en dikwijls valt zij dan.
[Ondertussen is Robert verloofd met Ernestine von Fricken]
1835
Lieve en vereerde Clara,
Ik weet dat u een helder verstand hebt en dat u uw oude en maanzieke vriend die de charades moest bedenken, goed zult begrijpen. Nu dan , ik denk dikwijls aan u, niet zoals een broer aan zijn zuster of zoals een vriend aan een vriendin, maar een beetje zoals een pelgrim denkt aan het beeld ergens op een ver altaar […] Gedurende uw afwezigheid ben ik naar Arabië geweest om verhalen op te doen die U misschien kunnen bekoren : zes nieuwe geschiedenissen over ‘dubbelgangers’, honderd en één charades, acht heel malle raadsels, verder avonturen van rovers, verrukkelijk mooi en het avontuur van het witte spook – ik ril van angst! […] Mijn blaadje loopt ten einde, maar niet de vriendschap die ik koester voor Fräulein Clara Wieck.
Als haar vurigste bewonderaar verblijf ik, R.S.
April 1835
Nog herinner ik mij hoe ik je toen zag,die eerste keer om twaalf uur. Je was niet langer een kind met wie ik zou kunnen lachen en spelen. Je zei heel veel verstandige dingen en diep in je ogen zag ik heimelijk een vonkje liefde gloeien.
Iets later :
Ernestine moet komen om ons te verenigen. Ze weet heel goed dat zij wederrechtelijk mijn hart veroverd had, dat jou al beminde voor ik je kende.
Er is er maar één die mijn leven beheerst heeft en wier intiemste en diepste zielsgeheimen voor mij geen geheimen waren. Haar alleen heb ik altijd vereerd en liefgehad. En jij hebt mij, zonder dat je het wilde of vermoedde, ervan weerhouden met enige andere vrouw omgang te zoeken.
In zijn dagboek :
Clara deed erg grappig […] In de dierentuin was Clara uitgelaten en bangelijk […] Clara was kinderlijk dom […] Clara en ik arm in arm.
Ze ziet de meest verheven mysteries van de kunst met een kalme blik, terwijl een volwassene wellicht verblind zou zijn door de lichtglans […]
Clara speelt goddelijk […] Nooit heb ik Clara zo horen spelen als vandaag; alles was meesterlijk en prachtig. Ze heeft de Papillons nog beter gespeeld dan gisteren. […] Thuis heb ik wat gespeeld en gewerkt aan mijn Intermezzo. Ik draag die aan Clara op.
Februari 1836, na de dood van Christina Schumann op 4 februari vanuit Zwickau :
Zoals jij voor me staat, mijn geliefde, geliefde Clara, ach, schijn je me zo dichtbij alsof ik je kon aanraken. Anders kon ik sierlijk onder woorden brengen, hoe zeer ik iemand was toegedaan; nu kan ik het niet meer. En zou je het niet weten, zo zou ik het je niet kunnen zeggen. Hou van mij, hou veel van mij. Ik vraag veel, want ik geef ook veel […] Intussen zul je ook een kunstenares willen blijven en geen gravin Rossi, d.w.z. je zult samen met mij moeten dragen en werken, vreugde en leed met mij willen delen. Schrijf me daarover […]Wat een geluk dat jouw stralend beeld heel deze duistere wereld verlicht, waardoor ik alles dragen kan.
Schumann draagt de sonate in fis op. 11 aan haar op.
Friedrich Wieck stuurt zijn dochter naar Dresden
Robert schrijft :
In die zomer van 1835 toen onze groeiende liefde hem moest zijn opgevallen, was hij juist zo bijzonder aardig voor me; en nog tot lang daarna heeft hij nooit iets laten blijken van vijandschap, zodat ik steeds overtuigd was dat hij mij welgezind was. […] Als ik mij inderdaad slecht gedragen had tegenover je vader, zou zijn haat gerechtvaardigd zijn. Maar ik kan maar niet begrijpen waarom hij mij zonder reden verafschuwt en belastert, zoals je zelf zegt. Eens kom ik aan de beurt en dan zal hij zien hoeveel ik van hem en van jou houd.
Clara moet van haar vader in juni 1836 Roberts brieven en ook zijn sonate opus 11 terugsturen. De brief die zij Robert schrijft is voor hem het bewijs dat zij zich erbij neerlegt :
Daar ik niets van je hoorde, wilde ik je met alle geweld vergeten. De bedoeling was dat wij toen van elkaar zouden vervreemden. Ik had me erbij neergelegd, maar toen begon de ellende opnieuw; handenwringend bad ik ’s nachts dikwijls tot God : laat me een nacht rustig slapen, anders word ik gek. Op een keer had ik het voorgevoel dat ik in de kranten lezen zou dat je verloofd was. Ik was een gebroken man, zo erg, dat ik luid heb gegild.
Robert schrijft zijn Phantasie op.17 [Ruinen, Trophäen, Palmen, c.q. Ruinen, Triumphbogen, Sternenkranz] :
Het is slechts één lange liefdeskreet naar jou. Je kunt de Phantasie alleen begrijpen als je je die vreselijke zomer kunt indenken, toen ik je vergeten wilde; nu is er voor mij geen reden meer om zulke sombere en ongelukkige composities te maken. Het eerste stuk is het hartstochtelijkste wat ik ooit heb geschreven, het is een diepe klacht om jou.
Opus 17 krijgt als motto een vers van Schlegel :
Durch alle Töne tönet
Im bunten Erdentraum
Ein leiser Ton gezogen
Für den , der heimlich lauschet.
Van dit expressieve thema houd ik het meest. Ben jij niet zelf die ‘leiser Ton’ waarvan sprake is in Schlegels vers. Natuurlijk, je weet het heel goed.
Clara komt terug in Leipzig en zet vier van de Etudes Symphoniques op haar programma.
Clara aan Robert :
Heb je begrepen dat ik ze gespeeld heb omdat dit de enige mogelijkheid voor mij was om je te laten zien wat er in mij omging? Omdat dit onmogelijk heimelijk kon geschieden, heb ik het maar openlijk laten blijken. Je zult begrijpen hoe mijn hart gesidderd heeft!
Robert aan Clara :
18 augustus 1837
Bent u nog steeds trouw en dapper? Al heb ik nog zo’n onwrikbaar vertrouwen in u en al ben ik nog zo flink, het is hard niets te weten omtrent haar die mij op aarde het dierbaarst is. Want dat bent u voor mij. En dat zal ook zeker zo blijven als we willen en er ons best voor doen. Duizendmaal heb ik bij mij zelf alles overlegd en alles zegt mij : het moet gebeuren als wij willen en handelen. Schrijf mij slechts een eenvoudig ‘ja’ en of u aan uw vader juist op je verjaardag [13 september] een brief van mij wilt geven. Hij is mij nu goed gezind en zal mij niet verstoten als jij het voor mij opneemt. […] Al ziet de toekomst er rooskleurig uit, we zijn er nog niet! Maar voor alles, houd vol, wees flink! Vergeet niet mij het ‘ja’ te schrijven want ik kan niet buiten die zekerheid.
Clara aan Robert :
U vraagt slechts om dat onnozele woordje ‘ja’? Wat een klein woord en wat houdt het veel in! Zou een hart als het mijne, zo boordevol liefde, dat niet dolgraag trouw kunnen zijn. Ik doe het en mijn diepste innerlijk fluistert het je eeuwig toe.
Robert onderhoudt zich met Friedrich Wieck:
Hij is koel, kwaadwillend en bovendien is hij vaag, hij spreekt zichzelf tegen en op een moment dat je het allerminst verwacht, overdondert hij je en steekt hij een mes diep in je hart.
18 september aan Clara :
Tevergeefs zoek ik naar een verontschuldiging voor je vader die ik altijd voor een edele en menselijke man heb gehouden. Tevergeefs zoek ik in zijn weigering een mooiere en diepere grond, bijvoorbeeld, dat hij vreesde dat je waarde als kunstenares zou inboeten door een vroegtijdige belofte aan een man, dat je nog te jong zou zijn etc. Niets van dat alles; geloof me, hij werpt je de eerste de beste, die geld genoeg heeft, toe. Zijn hoogste ideaal is concerten geven en reizen. De toestand kan zo niet lang duren want dat houdt mijn natuur niet uit.
Dagboekaantekeningen van Robert :
4 oktober
Uren heb ik gisteren dromend doorgebracht. Word toch wakker! ’s Avonds heb ik veel gedronken. Vanmorgen getracht me op mijn werk te concentreren. Tevergeefs!
7 oktober
Gisteren was ik er ellendig aan toe. Ik voel me zo in de war, als verloren. Hoe komt dat? Ik kan niet doorwerken. Heel slechte nacht met gruwelijke dromen. ’s Morgens weer beter.
10 oktober : de avondschemering is in aantocht, of het begin van een nieuw leven.
Aan Clara :
Vandaag denk ik alleen aan jou en ook aan je hardvochtige vader. Net als bij jou wisselen tranen het lachen af. Wat een vreselijke nacht heb ik doorgemaakt! Hoe gloeide mijn hoofd. In mijn troebele verbeelding werd ik van het ene op het andere rotsblok op het andere geduwd en ik was bang te vallen. Ik verwijt mezelf mijn gebrek aan vertrouwen, al heb ik het erewoord van een flink en edel meisje. In ben zwakker dan ik dacht.
Ze zien elkaar weer :
Ik heb er geen zin in er langer over na te denken of te schrijven; maar toen je tegen mijn borst gevleid, huilde, Clara, gingen gisteren hemel en hel voor mij open.
Clara gaat op tournee in Praag en Wenen [speelt met veel succes Carnaval]
Robert aan Clara [in Wenen] :
Kom bij mij zitten, sla je arm om mijn hals, laten we elkaar nog eens in de ogen zien, zonder iets te zeggen, bovenmenselijk gelukkig. Twee aardse stervelingen hebben elkaar lief. Het slaat kwart voor één. In de verte hoor ik mannen een koraal zingen. Ken jij die twee mensen die elkaar liefhebben? Wat zijn wij gelukkig! […] Wat een hemelse ochtend! Alle klokken luiden, de hemel is zo blauw, zo puur als van goud. Vóór mij ligt je brief. Mijn eerste kus is voor jou, mijn schat die ik zo hartstochtelijk bemin.
Eén der kamers zie ik in een dromerige schemer gehuld, met bloemen voor het venster, of het lichte blauwe vertrek met de piano en de gravures[…] ’s Avonds ga ik aan de piano zitten improviseren, alleen voor jou en nu en dan doen we het samen en zing jij met zachte stem […] en dan zul je me overgelukkig om mij hals vallenen zeggen: Nee ik dacht niet dat het zo mooi zou zijn!
6 februari 1838
Wat was ik de laatste dagen gelukkig, jong en opgewekt. Deze laatste drie weken heb ik een geweldige hoeveelheid muziek gecomponeerd, luchtige stukjes, Egmond-verhalen, familieruzies met vaders, een huwelijk, in het kort, allerlei prettige dingen zoals je ziet! Het geheel heb ik ‘Noveletten’ genoemd, naar Clara Novello, omdat ze ook Clara heet, want ongelukkigerwijze klinkt ‘Wiecketten’ niet zo goed! […] De muziek welde steeds maar bij me op. Aan één stuk zong ik bij het componeren en haast alles is geslaagd. Ik kan nu met vormen spelen.
12 februari 1838
Ik heb aardige dingetjes gecomponeerd : tot zaterdag toe aan ‘Kinderszenen’ gewerkt.
24 februari 1838 : Ik componeerde het kleine stukje ‘Träumerei’.
Aan Clara :
Is dit een onbewust antwoord op wat je me laatst schreef : ‘soms lijk je op een kind?’. Als ik dat ben, dan zal je zien dat het kind vleugels gekregen heeft, want ik heb meer dan dertig kleine stukjes geschreven en ik heb er twaalf uitgezocht, die samen zullen verschijnen onder de naam “Kinderszenen”. Je zult ze beslist graag willen spelen, maar je moet jezelf als virtuoze uitschakelen!
3 mei 1838
Ik heb drie heerlijke lentedagen doorgebracht met het wachten op een brief. Daarna componeerde ik de ‘Kreisleriana’, in vier dagen : geheel nieuwe werelden gingen voor mij open.
Aan Clara :
Ik heb opgemerkt dat mijn verbeeldingskracht op zijn levendigst is, als ik om jou in angstige spanning verkeer. Dat was de laatste dagen het geval en terwijl ik een brief van je verwachtte, heb ik zoveel gecomponeerd, dat ik er bundels mee zou kunnen vullen. Ongewone muziek, nu eens uitgelaten, dan weer ernstig en dromerig. Je zult grote ogen opzetten als je haar gaat ontcijferen. Weet je, soms denk ik, dat ik tenslotte nog eens uit elkaar zal springen van muziek, zo dringt en kookt alles in mij als ik aan onze liefde denk. […] Speel je mijn Kreisleriana wel eens= Uit sommige bladzijden spreekt een werkelijk radeloze liefde.
Schumann gaat naar Wenen
1 augustus 1838
De gehele dinsdag, een der verschrikkelijkste dagen van mijn leven en ook die nacht dacht ik dat ik zou sterven van angst – het was vreselijk. ’s Middags kwam er een hartelijke brief van Clara [ze is in Dresden], de eerste sinds veertien dagen, maar het hielp me niets. Alles is tegelijk gekomen : de naderende scheiding, angst voor de eenzaamheid in de grote stad […] Als het nog langer duurt dan zou ik het ’s nachts niet meer kunnen uithouden. Ik heb met de ogen open gelegen, benauwd door allerlei vreselijke gedachten en door onafgebroken geluiden van afschuwelijke muziek […] God behoede me voor zo’n dood!
31 oktober
Ik ben nog niet in staat om te werken. Ik heb er geen lust toe en geen rust en iedere impuls ontbreekt. Soms zou ik wel jaren achtereen willen slapen, dan weer zou ik me van alles willen losrukken en weer willen gaan scheppen…
Schumann schrijft Arabeske, Humoreske, Nachtstücke [= Phantasie Macabre] en Faschingsschwank aus Wien.
In mei 1839 is Robert verbitterd; van streek door de dood van zijn broer Ernst, denkt hij erover met Clara te breken. Ze had hem voorgesteld het beroep op de rechtbank nog even uit te stellen. Tenslotte geeft hij maar toe, als Clara belooft alles niet nog eens uit te stellen.
Robert aan Clara :
Vooral je tweede brief heeft mij pijn gedaan; als je die later nog eens overleest, zal je nauwelijks kunnen geloven, dat jij die hebt kunnen schrijven. Alles kwam tegelijk. Je vader liet mij opnieuw op schandelijke wijze weten, dat hij tegen me was. […] En direct daarop krijg ik je tweede brief, een vreselijk koele brief en zo ontevreden, zo koppig. Het waren verschrikkelijke dagen voor mij. Dergelijke emoties grijpen me aan tot in de fijnste vezelen van mijn wezen. Als het over jou gaat, reageer ik tienmaal zo erg. Ik ben nog steeds tot het merg van mijn beenderen geschokt. Ik heb aan je getwijfeld en mij afgevraagd of je hart ten opzichte van mijn veranderd zou zijn. Bevend opende ik je laatste brief, ik las, las maar door en toen leek het wel of de hemelpoorten weer één voor één opengingen. Ik had je weer teruggevonden…
Juni 1839
Vandaag ga ik mijn negenentwintigste levensjaar in. Ik twijfel er niet aan dat ik de langste tijd van mijn leven al gehad heb. Erg oud zal ik niet worden, dat weet ik zeker : het grote leed dat ik om jou geleden heb, heeft mij gebroken. Maar genezing en vrede zullen ook door jou komen.
Op 16 juli 1839 dienen beiden een rekest in bij de rechtbank om toestemming te krijgen voor hun huwelijk.
Tijdens een tweede rechtszitting op 18 december beledigt Wieck Schumann in die mate dat deze hem aanklaagt wegens laster. De uitspraak wordt uitgesteld tot de zomer. Schumann vlucht in het componeren.
Februari 1840
Ik componeer nu veel, zoals altijd in februari. Je zult verstomd staan van alles wat ik geschreven heb – geen pianowerken, maar wat wel, zeg ik nog niet […]. Sinds gistermorgen heb ik tweeëntwintig bladzijden muziek geschreven en ik kan je alleen maar zeggen dat ik gelachen en gehuild heb van vreugde bij het componeren. Vaarwel Clara! Op dit ogenblik zijn al die klanken mijn dood, ik voel dat ik dood zou kunnen gaan van muziek. Ach, Clara, welk een goddelijk iets, voor de stem te schrijven. Het was me al te lang ontzegd.
Schumann schrijft zijn Liederkreis op. 24.
In april 1840 zien Robert en Clara elkaar terug in Berlijn; Clara zingt, aan de piano begeleid door Mendelssohn, Schumanns eerste liederen. Dan Liederkreis op. 39 en Dichterliebe op. 48
Clara aan Robert :
Onder de levende musici is niemand zo begaafd als jij; mijn liefde wordt steeds groter en tegelijkertijd mijn bewondering.
Wieck wordt tot twaalf dagen gevangenisstraf veroordeeld en de rechtbank geeft op 1 augustus toestemming voor het huwelijk. Het huwelijk wordt in gezegend op 12 september 1840 in Schönefeld.
Op 13 september schrijft Schumann in zijn nieuw begonnen dagboek :
Het boekje dat ik heden begin heeft een heel innige betekenis; het zal een dagboek worden over alles wat ons gemeenschappelijk beroert in huishouding en huwelijk. Onze wensen, onze hoop zullen hierin worden opgetekend. Ook zal het een boekje zijn der beden die wij tot elkaar zullen richten als woorden niet toereikend zijn. Verder een gelegenheid tot bemiddeling en verzoening als we elkaar eens hebben misverstaan. Kortom, het zal een ware en goede vriend voor ons zijn aan wie wij alles toevertrouwen en voor wie onze harten openstaan. Om de acht dagen wisselen we elkaar af bij het voeren van het secretariaat. Iedere zondag geschiedt de overgave. Het geschrevene wordt vervolgens gelezen, in stilte of hardop al naar gelang de inhoud dit vereist. Wat is vergeten wordt nog ingelast. In het algemeen wordt de gehele gang van zaken gedurende de week nog eens zorgvuldig overdacht om te onderzoeken of wij ons ook waardiger hadden kunnen gedragen en werkzamer hadden kunnen zijn of wij innerlijk en uiterlijk steeds meer in welstand zijn toegenomen of wij ons in onze geliefde kunst steeds meer hebben vervolmaakt. De aantekeningen van een week mogen nooit minder dan één bladzijde bedragen. Wie daartegen zondigt zal gestraft worden op een wijze die we nog zullen bedenken. Een sieraad van ons dagboekje zal, zoals gezegd, de kritiek op onze prestaties in de kunst vormen. Er zal bijvoorbeeld in staan wat jij voortreffelijk hebt gestudeerd, wat je hebt gecomponeerd, welke nieuwe dingen je hebt leren kennen en wat je daarvan denkt. Hetzelfde vindt bij mij plaats. Een ander belangrijk sieraad van het boek vormen karakterschilderingen van bijvoorbeeld belangrijke kunstenaars die we van nabij hebben gezien. Anecdotes en humoristische zaken zijn geenszins uitgesloten. Het mooiste en dierbaarste echter, dat het boek zal bevatten, wil ik jou, mijn lieve vrouw, nog niet bij name noemen : jouw en mijn schone verlangens die de hemel zegene, jouw en mijn zorgen, die het huwelijksleven met zich brengt. Kortom, over alle vreugde en leed van het echtelijk leven zal hier een getrouwe geschiedenis worden geschreven. Als je het met dit alles eens bent, liefste vrouw, schrijf dan je naam onder de mijne en laten we als talisman nog de drie woorden uitspreken waarop alle levensgeluk berust : Vlijt, Spaarzaamheid en Trouw.
Oktober 1840
Ik heb een kleine cyclus gedichten van Kerner afgemaakt tot grote vreugde van Clara, maar ook wel tot haar verdriet, want dikwijls ben ik door die liederen stil of afwezig en dat moet ze dan maar verdragen.
Clara aan Robert:
De gedachte dat je werken moet om geld te verdienen vind ik afschuwelijk […]. Ik zou iets willen doen om je een bestaan te verzekeren dat alleen aan de kunst is gewijd. Ik vind het ellendig, elke keer dat ik je om geld moet vragen en dat je mij het geld geeft, dat je verdiend hebt. Het lijkt me dikwijls dat daardoor alle poëzie uit je leven verbannen wordt.
Zes maanden na de geboorte van haar eerste kind in februari 1842 begint een tournee. Tot Hamburg reist Robert mee. Clara reist door naar Kopenhagen waar ze twee maanden moet blijven.
Dagboek maart 1842
Dit is een van mijn grootste dwaasheden dat ik je liet weggaan, daar ben ik langzamerhand wel zeker van. Moge God je weer gelukkig naar mij terugleiden. Ik zal zolang over ons kleine dochtertje waken. Deze scheiding doet me opnieuw voelen hoe abnormaal onze situatie is. Moet ik met je meegaan op je reizen en zo mijn talenten verwaarlozen? Of zou jij jouw talenten niet meer moeten gebruiken omdat ik aan mijn tijdschrift en mijn piano vastzit? Wij hebben een oplossing gevonden : jij neemt een reisgezellin mee, ik keer naar mijn werk terug, bij ons kind. Maar wat zullen de mensen zeggen? Die gedachten houden me voortdurend bezig. We moeten een middel vinden om naast elkaar onze talenten te kunnen ontwikkelen. Ik denk aan Amerika. Wat een vreselijke beslissing!
Wanneer Robert in Leipzig is en Clara weg is schrijft hij :
Het huis lijkt me uitgestorven en doods. Want het leven is zoet met een liefhebbende en zachte vrouw. Mijn volgende symfonie moet Clara heten en ik zal haar daarin schilderen met fluiten, hobo’s en harpen. [..] Ik heb zin om mijn piano in elkaar te trappen. Ze wordt te klein om mijn ideeën te kunnen bevatten. Eigenlijk heb ik heel weinig ervaringen wat orkestmuziek betreft, maar ik reken er zeker op die te zullen krijgen.
In de tijd dat Robert en Clara samen – de enige keer! – werken aan de Rückert-cyclus Liebesfrühling ontstaat de Lentesymfonie
14 februari 1841 : de symfonie heeft mij veel gelukkige uren bezorgd, ze is bijna af. Ik breng dikwijls dank aan de weldoende Genius waardoor ik zo gemakkelijk en in zo korte tijd een dergelijk belangrijk werk tot een goed einde kon brengen. De schets van de gehele symfonie was in vier dagen klaar. Na tal van slapeloze nachten volgt nu een gevoel van uitputting.
31 maart : concert van het echtpaar Schumann. Een heerlijke avond die wij nooit zullen vergeten. Clara speelde weer als de grote kunstenares, zo meeslepend dat iedereen verrukt was. Ook deze dag zal een der gewichtigste van mijn leven blijven. Mijn vrouw heeft dit begrepen en zij was bijna nog blijer met het succes van de symfonie dan met haar eigen succes. Ik zou nog veel kunnen schrijven over deze avond, maar de nieuwe ouverture waarmee ik bezig ben roept me weer, en je moet, lieve vrouw, mij deze enkele korte regels maar gegeven.
Periode van belangrijke composities : het pianoconcert, de strijkkwartetten en Das Paradies und die Peri.
Wieck was van dit laatste stuk onder de indruk en schrijft verzoenende woorden :
Beste Schumann,
Tempora mutantur et nos mutamur in eis. Wij kunnen tegenover Clara en de wereld niet langer vreemden voor elkaar blijven. U bent nu ook vader van een gezin – waarom een lange verklaring? In de kunst waren we altijd eensgezind. Ik was zelfs uw leraar en mijn uitspraak was beslissend voor uw huidige loopbaan. Van mijn belangstelling voor uw talent en uw mooi en oprecht streven behoef ik u niet te overtuigen. Met vreugde verwacht ik u in Dresden.
Uw vader FR. Wieck
 |